GBIO Onderzoeksnetwerk Medezeggenschap 18 maart 2009.

 

Aanwezig:

Annette van den Berg, Jan Karel, Liedeke Boekhorst, Saraï Sapulete, Robbert van het Kaar, Jan Heijink, Rosemarie van Daal, Pieter van Beurden, Roos Schoonhoven, Anika Tuts, Aoutef Rajab en Bruno van Rijsingen.

 

Afbericht:

Ria Hermanussen, Daniëlle de Laat, Erik Poutsma, Aukje Nauta, Coen van Rij, Jan Ekke Wigboldus, Gert van Dongen en Petra Molenaar.

 

 

Welkom

Bruno van Rijsingen, directeur GBIO

Veel onderzoekers bij elkaar, wordt er dan zo veel onderzocht? OR en vakbond, naleving van de WOR, competenties en rollen van en in de OR, het effect van de OR – er gebeurt veel. Zo te zien is er wel enige overlap. We kunnen dus veel vragen en veel uitwisselen.

 

Rondje onderzoek

 

(Onder)benutting van OR bevoegdheden in grote ondernemingen

Pieter van Beurden, trainer/adviseur GITP

In opdracht van het Ministerie van SZW doen Pieter van Beurden en Rienk Goodijk onderzoek naar de (onder)benutting van OR bevoegdheden en de achtergronden daarvan. Na een scan van structuurvennootschappen is een vragenlijst uitgezet over het gebruik van bevoegdheden en de wensen die ORen op dat gebied nog hebben. Vervolgens komen er casestudies bij acht ondernemingen. Daarin zullen gesprekken gevoerd worden met OR voorzitters, Raad van Commissarissen, bestuurders, P&O en vakbeweging. Die gesprekken zijn al gestart en hebben de nodige diepgang.

Er is gekozen voor structuurvennootschappen omdat daarnaar verwezen wordt in het SER-rapport (over onderbenutting). Benutting is gedefinieerd als het gebruik van bevoegdheden. De precieze definiëring van onderbenutting moet gaande het onderzoek blijken, waarschijnlijk uit de beweegredenen voor het gebruik van bevoegdheden. Het onderzoek is gericht op die motivatie/achtergrond, niet op het turven van OR adviezen. De adressenlijst van 300 ondernemingen is afkomstig van de Kamer van Koophandel en gecorrigeerd en aangevuld met gegevens die bij het GBIO bekend zijn.

 

Totstandkoming van participatief gedrag

Pieter van Beurden, trainer/adviseur GITP

Promotieonderzoek van Patrick Vermeulen, senior trainer/adviseur GITP. Patrick onderzoekt hoe participatief gedrag tot stand komt. Uit literatuuronderzoek en een gedragswetenschappelijk kader is een onderzoeksmodel gemaakt. Op dit moment loopt het empirisch onderzoek. De verwachting is dat het onderzoek eind 2010 afgerond is. Het gaat over participatie als invloed op het besluitvormingsproces, zowel direct als indirect. Samen met Gerdien Engel doet Patrick ook onderzoek naar betrokkenheid bij besluitvorming bij Proteion (thuiszorgorganisatie). Vragen aan Patrick zijn zeer welkom.

 

Invloed van de OR op de Raad van Commissarissen

Pieter van Beurden, trainer/adviseur GITP

Samen met Rob van Etten gaat Pieter de invloed van de OR op de Raad van Commissarissen onderzoeken, ofwel de relatie van de OR met het ondernemingsbestuur. Ze zullen een vragenlijst en case studies gebruiken om inzicht te krijgen in het gebruik van het versterkte recht van aanbeveling, de bevoegdheden en de invloed van de OR in relatie tot het ondernemingsbestuur. Aan het eind van het jaar willen ze de resultaten presenteren en bespreken op een congres. Vanwege de evaluatie van de structuurregeling heeft dit onderzoek mogelijk een grote lading.

 

Roluitoefening en rolbeleving van OR-leden

Roos Schoonhoven

Aukje Nauta onderzocht de roluitoefening en rolbeleving van OR-leden. Hiervoor gebruikte zij literatuuronderzoek, interviews en een internet enquête onder meer dan 500 OR-leden. Het volledige rapport staat op de website van het NCSI.

Vragen over competenties waren onderdeel van het onderzoek. Er blijkt op een aantal terreinen een grote discrepantie te bestaan tussen de mate waarin OR-leden een competentie denken te bezitten en het belang dat ze aan die competentie hechten. Dit geldt vooral op de terreinen arbeidsrecht, HRM en organisatieverandering (en in mindere mate onderhandelen en conflictmanagement).

Uit de resultaten volgen aanbevelingen voor competentieontwikkeling.

 

De afstudeerscriptie van Roos gaat dieper in op de houding van OR-leden ten opzichte van maatwerk in arbeidsvoorwaarden. Het gaat om maatwerk als individuele afspraken over werktijden, beloning, prestaties en ontwikkeling. ORleden blijken de voorkeur te geven aan collectieve afspraken over belonen en maatwerk wat betreft werktijden. Over prestatie- en onwikkelingsafspraken zijn de meningen meer verdeeld. Roos heeft het onderzoek uitgevoerd binnen het onderzoek naar rolbeleving en –uitoefening.

 

Rol van de OR bij reorganisaties

Saraï Sapulete, Utrecht School of Economics.

Saraï heeft de beschikking over gegevens van OSA, Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. De steekproef bestaat uit twee jaren uit de dataset, namelijk 1999 en 2001.  De databewerking is nog problematisch, in de beginfase van het onderzoek. Saraï bekijkt de data vanuit een sociologische hoek. Daarbij gaat het om de rol die een OR speelt voor winst/omzet en bij reorganisatie.

 

Bedrijfsleven in Nederland in de twintigste eeuw

Annette van den Berg, Utrecht School of Economics.

Annette werkt met diverse bestaande datasets, onder meer die van OSA, De Volwassen OR, Bestuurder Stuurt. De centrale vraag bij het gebruik van de datasets is, in hoeverre de OR bijdraagt aan bedrijfsresultaten (omzet, winst, personeelsverloop e.d.). Het historisch onderzoek BINT (Bedrijfsleven in Nederland in de twintigste eeuw), met een focus op menselijk kapitaal, gaat nu van start. De centrale vraag is hier: “In hoeverre is Nederland uniek in internationale bedrijfssystemen?”.

Sinds kort werkt Annette aan de Universiteit van Antwerpen aan onderzoek naar medezeggenschap. Er loopt een onderzoeksvraag over corporate governance in de Belgische arbeidsverhoudingen. Robbert en Bruno wijzen op diverse onderzoeksrapporten met een vergelijking van werknemersmedezeggenschap in verschillende EU landen (onder meer GBIO katern 4 & 5).

 

Diverse onderzoeken

Robbert van ’t Kaar, UVA, Hugo Sinzheimer Instituut

Kort geleden is het onderzoek door FNV Formaat naar de EOR aangeboden aan de Tweede Kamer. Daaruit blijkt dat maar 1/3 tot ½ van de EOR-plichtige ondernemingen er ook daadwerkelijk één heeft.

Verder zijn er scherpere richtlijnen gemaakt voor de EOR. Die heeft nu meer bevoegdheden. Bij het opstellen van de nieuwe richtlijnen lag de nadruk op het gebrek aan invloed op beursvennootschappen, vanwege de vrijstellingen voor multinationals met een meerderheid van de werknemers buiten Nederland. De Europese regels voor vennootschappen kennen geen vrijstellingen voor hoog-niveau-vennootschappen. Publicatie in het Tijdschrift voor Ondernemingsrecht (2009, aflevering 3, nr. 33).

Daarnaast is Robbert veel bezig met jurisprudentie in de (nationale) rechtspraak over de EOR.

Ten slotte attendeert Robbert ons op het promotieonderzoek van Ilse Zaal (UvA), naar de grenzen van de medezeggenschap. Zo bestaan er in Nederland veel bevoegdheden voor de OR, maar soms weinig medezeggenschap. Ilse onderzoekt waar dit mee samenhangt.

 

Lopend onderzoek vanuit het Ministerie van SZW

Rosemarie van Daal, Min. SZW.

Vanuit het ministerie lopen verschillende onderzoeken.

Rienk Goodijk onderzoekt de al besproken (onder)benutting.

In vervolg op eerder onderzoek bekijkt Regioplan de naleving van de WOR. De dataverzameling is nu afgerond. Er zijn rond 10.000 ondernemingen benaderd, met ongeveer 35% respons. Er is gevraagd naar kwantitatieve, feitelijke informatie.

Het net afgeronde EOR-onderzoek liet een naleving van 48% zien. De andere 52% zijn over het algemeen relatief kleine ondernemingen (<1000 werknemers) en lokale vestigingen die relatief autonoom opereren en weinig internationaal zijn georiënteerd. Tot nu toe is de reactie op dit onderzoek beperkt – alleen OR.Net en OR Informatie hebben er iets over gezegd op hun sites.

Eind 2009 presenteert de minister een notitie over de stand van zaken in de medezeggenschap. Rosemarie verwacht weinig aardverschuivingen. Mogelijk komt er een voorstel voor veranderingen in de medezeggenschap in de beroeps- en volwasseneneducatie en misschien het voortgezet onderwijs. Het gaat dan om het splitsen van werknemersmedezeggenschap en inspraak van studenten. Dit komt in elk geval pas na 1 juli in de Tweede Kamer. (Inmiddels is bekend dat de Kamer woensdag. 17/6 het wetsvoorstel behandelt op grond waarvan een gedeelde medezeggenschap tot stand komt en voor het personeel van onderwijsinstellingen de WOR gaat gelden ,RvD).

 

Kwaliteitsonderzoek OR-Scholing

Liedeke Boekhorst, junior onderzoeker/beleidsmedewerker GBIO

Het doorlopend kwaliteitsonderzoek van het GBIO is vernieuwd. Vanwege de lengte van de vragenlijst, de licht teruglopende respons en geluiden uit het veld hebben we de vragenlijst volledig herzien. Trainers uit verschillende scholingsinstituten hebben hier inhoudelijk aan bijgedragen. De herziene vragenlijst is getoetst op een steekproef van 200 cursisten. Daaruit bleek dat de betrouwbaarheid en validiteit, met enkele aanpassingen, voldoende zijn om de vragenlijst in gebruik te nemen in het doorlopend kwaliteitsonderzoek. De meerdaagse maatwerkcursussen vanaf januari 2009 worden met de nieuwe vragenlijst geëvalueerd. Overigens gebruiken we een aantal cursussen om de nieuwe vragenlijst te ‘ijken’ aan de oude, om de betrouwbaarheid te toetsen en om de ‘normering’ vast te stellen.

 

Trendanalyse

Liedeke Boekhorst, junior onderzoeker/beleidsmedewerker GBIO

In 2005 heeft het GBIO de programma-inhoud van meerdaagse maatwerkcursussen onderzocht. In de daaropvolgende drie jaar hebben we dat weer gedaan, steeds bij een derde van de scholingsinstituten. We analyseerden de cursusprogramma’s waarbij we ook de MISOR-cijfers van het doorlopend kwaliteitsonderzoek hadden. De resultaten zijn met de instituten besproken.

Op dit moment analyseren we de trends die in de programma’s te zien zijn. Tot nu toe valt er weinig op, maar we zijn nog niet uitgekeken. Eén van de bijzonderheden is dat er relatief vaker over de relatie met de bestuurder gepraat wordt in diens afwezigheid dan waar hij bij is. Dat was in de eerste trendanalyse niet zo. Jan Heijink herkent dit beeld wel.

Resultaten van deze tweede trendanalyse zullen eind 2009 gepubliceerd worden.

 

 

Pilot medezeggenschap Ministerie SZW

Anika Tuts, beleidsmedewerker CAOP

Lou Sprengers heeft in opdracht van d Werkgroep medezeggenschap Rijk een nieuwe methode ontworpen, die is bedoeld als hulpmiddel voor bestuurders en MZ-organen om zich een beeld te vormen van het functioneren van de MZ en aanknopingspunten voor verbetering daarvan. Anika toetst de vragenlijst in een pilot bij 19 Oren en OCen  van het Ministerie van Economische Zaken. De pilot past in de discussie over de medezeggenschapstructuur bij de departementen, met als veronderstelling dat die structuur eenvoudiger kan. Het onderzoek is pas net van start.

 

OR-verkiezingen bij gemeenten

Jan Heijink, senior onderzoeker ITS

Harry van den Tillaart heeft de afgelopen OR-verkiezingen bij gemeenten onderzocht, in opdracht van het A+O Fonds Gemeenten. Er was vorig jaar iets meer animo dan bij voorgaande verkiezingen: in 41% van de gemeenten konden daadwerkelijk verkiezingen gehouden worden. Wel waren er ook meer gemeenten met net zo veel kandidaten als zetels (27%). Het lijkt erop dat de zittende ORen meer dan eerst zelf hun best doen voor ‘opvolging’. Kandidaten zien als grootste struikelblok het combineren van hun OR werk met hun reguliere werk. In CAO-onderhandelingen is afgesproken dat er per verkiezing convenanten moeten zijn tussen werkgever en OR, over tijd voor en deelname aan medezeggenschap en competentieontwikkeling. De praktijk is weerbarstig, maar de formaliteit is geregeld. Het rapport is via het A+O Fonds beschikbaar.

 

Toepassing van HR-instrumenten door de OR

Jan Karel, senior onderzoeker GBIO

Emiel van Eijk doet met Patrick Vermeulen onderzoek naar de toepassing van HR-instrumenten in de OR. Het gaat daarbij om werkwijzen zoals het gebruik van functionerings- en pop-gesprekken die (voorheen) door PZ en managers gebruikt werden en de vraag in hoeverre die toegepast worden binnen ORen. Het onderzoek bestaat uit een inventariserende digitale vragenlijst. P&O en bestuurder ontvangen een aanvulling op de OR vragenlijst. Het GBIO heeft de steekproef getrokken. Daarbij zijn geen ORen meegenomen die in de steekproeven van Monitor 3 en het onderbenuttingonderzoek opgenomen waren.

 

Het derde Monitoronderzoek van het GBIO

Na de pauze presenteren Jan Heijink en Jan Karel de eerste indruk van de gegevens in het derde Monitoronderzoek van het GBIO. De bijbehorende sheets komen als bijlage bij dit verslag.

Meer dan de helft van de ORen en bestuurders vindt dat de OR per saldo veel tot zeer veel invloed heeft op de gang van zaken in de onderneming. In de vorige Monitor (2003) was dat 25% à 30%. Mogelijke verklaringen kunnen we vinden in een veranderende houding van bestuurders ten opzichte van ORen en een deskundiger OR. Dat laatste willen we proberen te koppelen aan het scholingsgedrag van ORen.

We zien dat driekwart van de ORen positief is over zijn competenties in termen van vaardigheden en kennis. In veel gevallen denkt de bestuurder daar ook zo over.

Er is ook een verband tussen de mate van overeenstemming tussen beiden en het aantal sterke punten dat een OR zichzelf toekent.

 

In de gegevens zijn we nog op zoek naar de meest waardevolle en betekenisvolle indicatoren voor het goed functioneren van de OR.

 

De enquête onder de medewerkers heeft ook een goede respons (29%) opgeleverd: ruim 4.000 waarvan 15% digitaal. Bij de OR en bestuurder was die verdeling bijna 50% bij een respons van 29% (ORen) en 22% (bestuurders).

 

De resultaten zijn als volgt samen te vatten: in het deel over kwaliteit van arbeid is men het meest tevreden over de aandacht in de organisatie voor gezondheid en veiligheid. Dat is over de hele linie, ook OR en bestuurder kozen hiervoor. Als we de reacties van de OR, bestuurder en medewerker vergelijken blijkt dat de bestuurders het meest positief zijn over de kwaliteit van arbeid. De ORen volgen met een duidelijk mindere score en de medewerker hebben het minst positieve oordeel.

In alle drie vragenlijsten stond ook een aantal vragen over (de kwaliteit van) de aansturing van de organisatie. Hier is de volgorde tussen de drie groepen hetzelfde als bij de kwaliteit van arbeid.

Bij al deze vragen werd ook gevraagd of de OR er voldoende aandacht aan besteedt. Hier zijn het de medewerkers die het meest antwoorden: ja, voldoende. Daarna de OR zelf en als laatste de bestuurder. De percepties van de drie groepen lijken te verschillen. We zullen o.a. met factoranalyse proberen dat beeld verder in te vullen en te verklaren.

 

We kunnen de verbanden onderzoeken tussen enerzijds kwaliteit van arbeid en organisatie, met de aandacht van de OR daarvoor, en anderzijds deskundigheid, competenties en invloed van de OR.

 

Een interessante ontwikkeling die niet op voorhand in de onderzoeksdoelstelling was opgenomen, is dat we aanwijzingen hebben dat op basis van de beantwoording van het vragencluster over de rol van de OR in de ogen van de bestuurder (en dat dan zoals de OR die vragen voor de bestuurder invult), een OR-typologie mogelijk is. We zien na factor- en clusteranalyse drie typen. Daarvan maken we omschrijvingen. Die laten samenhang zien tussen competenties, deskundigheid, het gewicht van het overleg met de bestuurder, het functioneren en de invloed van de OR. Het beeld is statistisch robuust maar we kunnen het op dit moment alleen intern valideren. Als het ook in de praktijk blijkt te kloppen kan de typologie ORen helpen antwoord te krijgen op de vraag: “Waar staan we als OR?”en hoe kunnen we onze invloed verbeteren? Vanuit scholingsperspectief is dit beslist interessant.

De analyse is nu halverwege: we verwachten dat het onderzoeksrapport in juli kan verschijnen.